Woordenlijst

Anticariogeen – Een voedingsbestanddeel dat poistief bijdraagt aan de mondgezondheid door een vermindering van de zuurproductie.

Antioxidant – Een stof die celbeschadiging als gevolg van vrije radicalen voorkomt.

Beriberi – Een tekort aan vitamine B1 (thiamine), dat aanleiding geeft tot een verlies van eetlust, spierzwakte, een vergroot hart en een brandende tong.

Cariogeen – Een fermenteerbaar koolhydraat, dat aanleiding geeft tot een reductie van de pH in het speeksel en de tandplak tot minder dan 5,5, en zo decalcificatie van het glazuur bevordert.

Cariostatisch – cariësremmend.

Cheilosis – Kloofjes in de mondhoeken (één- of tweezijdig).

Cholesterol – Lipide (vet) aanwezig in alle lichaamscellen; aangemaakt door de lever en uitsluitend aanwezig in dierlijke producten.

Collageen – Bindweefsel dat lichaamsstructuren zoals de huid, de botten, de tanden en de pezen helpt ondersteunen.

Complexe koolhydraten – Suikers die meer dan 12 koolstofatomen bevatten. Aanwezig in voedingsmiddelen zoals volle granen, groenten en bonen.

Demineralisatie – De verwijdering of het verlies van calcium, fosfaat en andere mineralen uit het tandglazuur.

Voedingsgeschiedenis – Een gedetailleerd verslag van het voedingspatroon van de voorbije 24 uur, of de voorbije 3, 5 of 7 dagen.

Dysfagie – Slikproblemen.

Fermenteerbare koolhydraten – Koolhydraten die kunnen worden gemetaboliseerd door bacteriën in de tandplak en zo de pH verlagen tot een niveau waarop demineralisatie optreedt.

Vrije radicalen – Veroorzaken celbeschadiging via oxidatie.

Glossitis – Ontsteking van de tong.

HDL – High-density lipoproteïnen, ook wel gezonde cholesterol genoemd.

Heemijzer – IJzer afkomstig van dierlijke bronnen.

Homeostase – Behoud van een relatief stabiel evenwicht.

Hyperlipidemie – Hoge concentraties triglyceriden en/of cholesterol.

Insuline – Een hormoon dat nodig is om cellen toe te laten koolhydraten te gebruiken.

LDL – Low-density lipoproteïnen, ook slechte cholesterol genoemd.

Peulvruchten – Planten die groeien uit een erwt of peul.

Niet-heemijzer – IJzer afkomstig van een plantaardige bron.

Nutriëntrijk – Met een hoog percentage nutriënten (voedingsstoffen) in verhouding tot de hoeveelheid calorieën.

Osteopenie – Een afname van de botdensiteit (dichtheid), calcificatie of ontoereikende nieuwe botaanmaak, waardoor een persoon een risico op osteoporose loopt.

Geraffineerde koolhydraten – Bewerkte koolhydraten waaruit de vezels en zemelen verwijderd zijn, zodat er alleen zetmeel overblijft.

Vegetarier – Een persoon die alleen plantaardige voedingsmiddelen eet en geen voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.7

Xylitol – Een suikeralcohol die kan bijdragen om hoeveelheid S. mutans in de mond te doen afnemen.